HR 15 juli 2022: Verzuim inschrijving rechtsmiddel?

HR 15 juli 2022: Verzuim inschrijving rechtsmiddel?

Auteur: Willemijn van den Berg

ABC, een Nederlandse vennootschap, heeft geïnvesteerd in ATI, een Belgische vennootschap. ABC heeft onroerend goed geleverd aan ATI, ter gedeeltelijke voldoening van haar schuld uit de investeringsovereenkomst. Later heeft ATI het onroerend weer terug verkocht en geleverd aan ABC. ATI heeft in België nakoming van de investeringsovereenkomst gevorderd. ABC verscheen niet in de procedure; de vordering is bij verstek toegewezen en het Belgische vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. ABC is vervolgens een procedure bij de Nederlandse rechter tegen ATI gestart, waarin zij vernietiging van de investeringsovereenkomst vordert op grond van bedrog. ATI vordert in reconventie teruglevering van het onroerend goed, omdat zij bij het aangaan van de (terug)verkoopovereenkomst onbevoegd zou zijn vertegenwoordigd. De rechtbank wijst de vorderingen van ABC in conventie af en de vorderingen van ATI in reconventie deels toe. Zij veroordeelt ABC om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis het onroerend goed terug te leveren en over te dragen aan ATI, waarbij – indien dit niet gebeurt – het vonnis in de plaats zal treden van de toestemming en handtekening van ABC. ABC gaat in beroep.

In hoger beroep spelen er twee kwesties. Ten eerste stelt ATI dat ABC (gedeeltelijk) niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat ABC heeft nagelaten het rechtsmiddel op grond van art. 3:301 lid 2 BW tijdig in te schrijven in het rechtsmiddelenregister. Art. 3:301 lid 2 BW bepaalt dat hoger beroep van een uitspraak die in de plaats treedt van een tot levering van een registergoed bestemde akte (of een deel daarvan) op straffe van niet-ontvankelijkheid moet worden ingeschreven in het rechtsmiddelenregister. Dat was met het vonnis niet gebeurd. Ten tweede was de vraag aan de orde of het gezag van gewijsde van het Belgische vonnis in de weg stond aan de beslissing van de Nederlandse rechter over het bedrog, de onrechtmatige daad van ATI en de gevolgen daarvan.

Met betrekking tot het verzuim om het rechtsmiddel in te schrijven oordelen zowel hof als Hoge Raad dat de koopovereenkomst voor het onroerend goed geacht moet worden nimmer geldig geweest te zijn (als gevolg van de onbevoegde vertegenwoordiging), zodat het eigendom altijd bij ATI is gebleven en er dus niet bij notariële akte terug geleverd hoefde te worden. Het vonnis kon dus niet in plaats treden van (een deel van) de akte van levering.

Ten aanzien van het gezag van gewijsde van het Belgische vonnis oordeelde het hof dat het Belgische vonnis een andere rechtsbetrekking betrof dan aan de orde was in de Nederlandse procedure. De Hoge Raad overweegt dat dit oordeel berust op de uitleg van het hof van Belgisch recht, welke uitleg de Hoge Raad op grond van art. 79 lid 1 onder b RO niet mag toetsen. A-G Vlas kwam overigens tot een andere conclusie. Naar zijn mening zou het oordeel dat het Belgische vonnis betrekking heeft op een andere rechtsbetrekking dan in de Nederlandse procedure aan de orde is blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Ik kan die conclusie goed volgen. Het vonnis van de Belgische rechter impliceert de geldigheid van de investeringsovereenkomst; op basis van die uitspraak moet ABC haar verplichtingen onder die overeenkomst nakomen. De Nederlandse uitspraak leidt tot vernietiging van die zelfde investeringsovereenkomst en is daarmee dus strijdig met het Belgische vonnis.

ECLI:NL:HR:2022:1108